Een vruchtbaar gesprek

Na het vertrek van Petra haalde het hele gezin opgelucht adem, hoewel Monica last had van een slecht geweten. Een restje onbehagen bleef bij haar achter. Ze had het gevoel Petra niet erg netjes behandeld te hebben, maar ze wist ook achteraf niet hoe ze het anders aan had moeten pakken.

George bleef voor het middageten en mevrouw Smit nodigde ook Ingrid uit. Maar die verklaarde beslist op tijd thuis te moeten zijn. Wel beloofde ze ‘s middags terug te komen. Dat deed ze ook inderdaad, en omdat ook de jongens zich bereid verklaard hadden bij het graven van de gierput te helpen, kwam die werkelijk nog voor de avond klaar. Het was een flink karwei geweest.

Toen Monica in bed stapte, zei ze hardop: ‘Neem me niet kwalijk, Amadeus, maar vannacht ben ik niet voor een gesprek te vinden. Wees daar niet boos om. Ik vind je echt lief en ik ben ook niet kwaad op je, omdat je Petra het leven zo zuur gemaakt heb. Misschien was het zelfs goed zo, ze is inderdaad geen goede vriendin voor me. Maar ik heb er wel verdriet om. In elk geval ben ik nu doodmoe en wil tot morgenochtend doorslapen. O ja! Amadeus, ik heb je nog niet bedankt voor je hulp vanmorgen tegen de jongens. Vond ik erg goed van je! Welterusten, ik kan mijn ogen haast niet meer openhouden... ga maar in de ruïne spelen!’

Amadeus gaf geen teken, maar ze nam aan dat hij haar toch wel had gehoord. Ze had geleerd, dat hem maar zelden iets ontging als je met hem of zelfs maar over hem praatte. Ze las nog even en ging toen slapen. De hele nacht werd ze niet gestoord. Ook de andere bewoners van het huis hadden een rustige nacht.

Dadelijk na het ontbijt begon meneer Smit een voederbak te metselen en Monica mocht hem daarbij helpen. Liane was naar een vriendin in de stad gegaan en Peter verkende de omgeving, samen met George, die die nacht bij hen was blijven slapen. Ook Ingrid liet zich niet zien, zodat Monica helemaal alleen met haar vader was. Maar dat vond ze juist fijn. Ze gaf hem de stenen aan en keek toe hoe handig hij met troffel omging, steen na steen met cement bestreek en op elkaar metselde.

‘Wat kun je dat goed!’ zei ze bewonderend. ‘Jammer eigenlijk dat je geen metselaar geworden bent.’

Hij lachte. ‘Helemaal ongelijk heb je niet. Ik zou waarschijnlijk meer plezier beleven aan werken met mijn handen dan aan het werk op kantoor. Maar je kunt niet alles hebben zoals je het wilt.’

‘Waarom niet?’

‘Ja, zo gaat het nu eenmaal in het leven. Als ik timmerman of zo geworden was, zou ik misschien wel jaloers geweest zijn op mensen met witte boordjes en schone nagels, wie weet.’ Hij spande een draad om te zien of zijn bouwsel ook verticaal precies recht werd.

‘Wist ik maar wat ik worden moest!’

‘Je hebt toch nog tijd genoeg.’

Monica zuchtte. ‘Dat zeg je wel. Maar over een paar jaar ben ik al van de basisschool af.’

‘Wat zou je daarna willen gaan doen?’

‘Ik weet het niet. Ik wil niet naar het atheneum, denk ik. Zou je dat erg vinden?’

‘Nee hoor, helemaal niet. Twee kinderen op het atheneum vind ik al meer dan genoeg.’

Monica haalde opgelucht adem. ‘Goed dat ik dat weet.’

‘Ben je bang dat je het niet aan zou kunnen?’

‘De proefwerken en zo wel! Maar als ik zie hoe Liane en Peter moeten werken. Ik weet niet of dat nu wel het meest geschikte is voor mij.’

‘Dan zoek je toch gewoon een andere studierichting en zorg je daar een diploma te halen.’

‘Ja, dat zal wel lukken, maar...’ Ze zweeg.

‘Zeg maar gerust wat je op je hart hebt!’ moedigde vader aan.

‘Ik heb geen vriendin in mijn klas. Ik wilde er ook geen hebben, omdat ik Petra immers had. Maar dat is nu afgelopen.’

‘Dan kun je toch nu een andere vriendin proberen te vinden.’

‘Dat kun je gemakkelijk zeggen! Ik heb er al over nagedacht. Eigenlijk komt alleen Ingrid in aanmerking. Met haar heb ik het van het begin af aan goed kunnen vinden.’

‘Maar dan is het toch niet zo moeilijk?’

‘Jawel, Pap! Ingrid gaat vast en zeker naar het atheneum. Je weet toch dat haar vader leraar in Veldwijk is?’

‘Je bent dus bang dat je weer alleen zou komen te staan?’

‘Ja, precies. En dat je geen vriendinnen kunt blijven als je niet meer op dezelfde school zit, dat heb ik wel geleerd.’

‘De vraag is dus of je nu wel of niet vriendin met Ingrid moet worden?’

‘Het is nog lastiger!’

Meneer Smit had intussen ijverig doorgewerkt, terwijl Monica hem onvermoeibaar de stenen aangegeven had. Nu ging hij even staan en keek Monica glimlachend aan. ‘Ik wist helemaal niet, dat je zo’n ingewikkeld zieleleven had!’

‘Je mag me niet uitlachen, het is echt moeilijk! Als ik naar een andere school dan Ingrid zou gaan, en ik daarom maar beter geen vriendin met haar kan worden, kom ik wel een beetje alleen te staan. Ingrid is wel de enige in de klas die ik graag mag, maar ze is ook de enige die in de buurt woont. Twee komen er uit Heukelen zelf, maar die zijn zo dik bevriend met elkaar, dat je daar nooit tussenkomt. En alle anderen komen weet ik waarvandaan, maar in elk geval te ver om vriendin mee te kunnen zijn.’

Meneer Smit plaatste zorgvuldig een hoeksteen en mat toen met de waterpas of alles nog goed was. Hij trok een tevreden grijns, toen hij merkte dat alles klopte. ‘Dan zeker toch maar liever naar het atheneum,’ zei hij.

‘Maar wie zegt dat die vriendschap met Ingrid blijft? Met Petra dacht ik ook dat het nooit uit zou gaan!’

‘Ik begrijp het,’ zei meneer Smit langzaam. ‘Dat is wel iets wat je aan het denken heeft gezet, is het niet?’

‘Ja, Pap.’

‘Jammer genoeg kan ik je ook niet precies zeggen wat je doen moet. Je kunt niet garanderen dat een vriendschap voor altijd zal duren. Dat komt niet omdat de mensen trouweloos zouden zijn. Maar ze ontwikkelen zich voortdurend verder. Dat is vooral zo bij jonge mensen, waartoe ik jou trouwens ook nog reken. Zo kan het gebeuren dat twee vriendinnen uit elkaar groeien.’

‘Erg is dat,’ zei Monica.

‘Maar dat maakt het leven toch pas de moeite waard! En ook de vriendschap. Dat je die niet als iets vaststaands ziet, maar dat je je voortdurend met die andere moet bezighouden.’

Monica wreef met een vinger over haar neus. ‘Misschien is dat ook wel de reden waarom dieren zo leven. Dieren zijn altijd trouw, of niet?’

‘Ja. Maar hun trouw is toch maar een instinct en niet meer dan dat. Dat neemt niet weg dat ik de trouw van een dier iets rustgevends vind hebben.’

Monica was blij een vader te hebben, met wie ze over alles kon praten. Meneer Smit metselde de voederbak negentig centimeter hoog en zo breed, dat ernaast nog plaats was voor de ruif. Vroeger, vertelde hij, bracht men een ruif vaak boven de voederbak aan. De paarden liepen daardoor vaak beschadigingen aan hun ogen en door­gezakte ruggen op.

‘In de manege wordt het hooi gewoon op de grond gegooid,’ zei Monica.

‘Ja, omdat de stallen daar smaller zijn. Maar geloof me, zoals wij het doen, vinden de paarden het het fijnst.’

‘Was Bodo er al maar!’

‘Nu zal het toch niet zo lang meer duren.’

Ze kwamen die dag werkelijk zo ver, dat meneer Smit de volgende morgen al een ijzeren stang in het midden van de voederbak kon plaatsen. Om die stang heen was een ring gelegd die op en neer kon glijden, zodat het paard genoeg bewegingsvrijheid had, als het daaraan vastgebonden was. Daarna werd de eigenlijke bak, gemaakt van de beste klei, op zijn plaats gebracht. De bovenste rand liep iets naar binnen, zodat het paard niet gemakkelijk het voer er uit kon gooien. Nu werd er ook nog voor de drinkemmer een voet gemetseld waarop hij stevig staan kon.

‘Je moet niet vergeten dat Bodo een paar maal per dag vers water nodig heeft,’ zei vader. ‘Dat is heel belangrijk!’

‘Weet ik!’

‘Denk er maar niet te gemakkelijk over. Het liefst had ik een stalpomp aangelegd, maar dat is tamelijk ingewikkeld en voor één paard ook zeker niet nodig.’

Dat vond Monica ook. Het kon haar met het inrichten van de stal niet snel genoeg gaan. Maar het duurde toch tot na de pinksterdagen, voordat de stal zover klaar was, dat Bodo kon komen. Eerst moest de box afgezet worden. En ook natuurlijk een hok voor het voer en een voor het tuig. Soms hielpen de jongens mee, of Ingrid. Een andere keer werd Monica door Liane afgelost, wat ze dan toch, hoe groot haar belangstelling voor de stal ook was, als een opluchting ondervond. De hele tijd was Amadeus braaf geweest en had hij zich nauwelijks geroerd.

Tenslotte bedekte meneer Smit de vloer van de box met een zachte en warme laag leem. Nu zag de stal er mooi en proper uit, gezellig zelfs.

Monica was opgetogen. ‘Eindelijk kan Bodo komen!’ jubelde ze. ‘Ik bel meteen meneer Schoenmaker op dat hij hem komt brengen, ja, Pap?’

‘Niet zo voorbarig,’ zei deze, ‘er ontbreekt nog iets!’

‘Het voer?’

‘Nee, we hebben toch een wei. We hoeven alleen maar iemand te vinden die het gras maait...’

‘Dat kan Kees Schepers uit Heidehuizen wel doen,’ zei Ingrid, die weer eens langs was gekomen; samen met Monica had ze de stal bewonderd.

‘Mooi zo. Kun jij eens met hem praten? Als vergoeding mag hij zijn koeien...’ Meneer Smit viel zichzelf in de rede. ‘Ik neem aan dat die Kees Schepers een boer is?’

‘Een boerenzoon. En koeien hebben ze er natuurlijk wel.’

‘Prima! Dan kunnen ze van tijd tot tijd hun koeien in onze wei laten lopen.’

‘Waarom?’ vroeg Monica verbaasd. ‘Die hebben we toch nodig voor Bodo!’

‘Je hebt er geen weet van hoe paarden een weiland vernielen kunnen. Paarden zijn namelijk slechte weidedieren.’

Dat wisten de meisjes niet.

‘Paarden beschadigen met hun hoeven de grasmat,’ verklaarde meneer Smit. ‘Ze grazen met hun soort gebit bepaalde plekken te kort af en laten op andere plaatsen het gras maar groeien, zodat het veel te hoog wordt.’

‘Nu weet ik wat er nog gedaan moet worden,’ zei Monica. ‘Er moet nog een omheining gemaakt worden.’

‘Heel juist!’ prees meneer Smit. ‘We hebben ongeveer vier hectare weiland. Dat is heel mooi. Nu had ik zo gedacht dat we de wei in vier stukken opdelen, zodat het gras zo goed mogelijk opgegeten wordt en de stukken schoon gehouden kunnen worden.’

‘Maar dan hebben we wel een oneindig lange omheining nodig!’ riep Monica ontsteld.

‘Niet oneindig lang, maar ongeveer twaalfhonderd meter en minstens één goed afsluitbaar hek.’

‘Je zou toch ook eerst een vierde deel kunnen omheinen,’ stelde Ingrid voor.

‘Voorlopig zou dat genoeg zijn. Dan doen we de rest als Bodo al hier is.’

‘Goed idee! Akkoord, doen we!’ zei meneer Smit. ‘En als we allemaal meehelpen, ook Liane en Peter...’

‘Ik doe ook mee!’ beloofde Ingrid.

‘En Peter kan zijn vriend er ook bijhalen, dan duurt het beslist geen eeuwigheid voor we klaar zijn.’

Monica wilde het precies weten. ‘Hoe lang dan?’

Maar dat kon haar vader niet zeggen. ‘Jammer genoeg ontbreekt er nog iets,’ zei hij. ‘We moeten de gierkuil nog met een laag cement bekleden. Ja, het spijt me Monica, maar het is nu eenmaal niet zo eenvoudig een paard te houden. Dat heb ik je van het begin af al gezegd.’

Monica was behoorlijk ontmoedigd.